By mei 8, 2011 1:43 pm Lees verder →

Bevrijdingsdag 5 mei 2011 Roermond: het hele verhaal van Frans Timmermasns, (Tweede Kamerlid PvdA) in Roermond uitgesrpoken

Roermond – Tweede Kamerlid Frans Timmermans heeft donderdag 5 mei 2011, een lezing over de oorlog gehouden in de Caroluskapel in Roermond. De lezing is als onderdeel van het Bevrijdingsfestival Limburg om 11 uur uitgesproken. Lees hieronder de integrale tekst van Timmermans’ lezing.

Ik wil u een verhaal vertellen over een bijzondere jongen, die ik heb leren kennen ruim zestig jaar nadat hij overleed. Zijn naam is Leo Lichten. Samen met ruim 8.000 strijdmakkers heeft hij zijn laatste rustplaats op het ereveld Margraten. Alle Amerikaanse oorlogsgraven daar zijn ‘geadopteerd’, vooral door Limburgers. Een tijd terug mocht ik het graf van Leo Lichten adopteren. Van hem was bijna niets bekend, behalve dan zijn rang (PFC, soldaat eerste klas), de eenheid waarin hij diende (infanterie, 84ste divisie, ‘railsplitters’), de staat waaruit hij afkomstig was (New York) en de dag waarop hij sneuvelde (20 november 1944). En aan de grafsteen viel te zien dat hij Joods was.

Omdat ik meer van hem wilde weten, ben ik gaan speuren. Het is misschien wel de moeilijkste, maar zeker de meest boeiende speurtocht die ik heb meegemaakt. Eerst heb ik in kaart gebracht hoe zijn eenheid in Europa terecht kwam en bij welk gevecht hij om het leven is gekomen. Daaruit bleek dat hij pas enkele maanden over was uit de VS toen hij sneuvelde en dat hij nog geen 20 kilometer van waar ik woon bij zeer zware gevechten om het leven is gekomen.

Natuurlijk wilde ik ook graag weten waar hij precies vandaan kwam, of daar nog familie woonde en of ik mensen kon vinden die hem gekend hebben. Dat leek lange tijd een dood spoor. Via registers op internet en speurtochten in de archieven in New York, kwam ik erachter dat de familie Lichten in Brooklyn en later in Manhattan gewoond heeft. Met behulp van ‘burgemeester’ Marty Markowitz van Brooklyn en andere kennissen in New York zijn we naar andere Lichtens op zoek gegaan, hetgeen bijna iets van een detective kreeg, omdat met name in Williamsburg veel orthodoxe joden wonen die meer zouden kunnen weten, maar die uiterst gereserveerd staan tegenover nieuwsgierige buitenstaanders. Even dachten we beet te hebben met een oudere dame, die ook Lichten heette, maar dat bleek een verbastering van een andere naam te zijn. Ook in Manhattan liep het spoor dood.

Vervolgens ben ik stukken gaan schrijven voor Amerikaanse websites waar veel veteranen voorbijkomen en heb geprobeerd mensen te vinden die met Leo gediend hadden, die iets meer van de Europese campagne van de Railsplitters wisten of die Leo als kind in New York hadden meegemaakt. Ook ben ik gaan schrijven over het belang van ereveld Margraten voor de verbondenheid tussen Nederlanders en Amerikanen en over de band die ook de derde en vierde generatie nog voelt met onze bevrijders. Met name deze stukken trokken enige aandacht, omdat Amerikanen hiervoor bijzonder gevoelig zijn.

Het was een schot hagel, maar bleek wel raak te zijn. Ik ontving een mail van Robert Simpson, wiens moeder de halfzus is van Leo Lichten. De familie was vlak na het overlijden van Leo naar de Westkust vertrokken en had alle schepen achter zich verbrand. Bovendien heette niemand meer Lichten, want Leo’s moeder was gescheiden en weer hertrouwd, waarbij zij en de kinderen de naam van de nieuwe man overnamen. Onduidelijk blijft tot op de dag van vandaag of Lichten nu de naam was van Leo’s biologische vader. Ook de naam Wolff circuleert. Geen wonder dat men spoorloos was. Via Robert Simpson kwam ik weer een paar flarden te weten, maar veel was het niet. Zijn moeder leeft nog, maar zij was een jong meisje toen Leo sneuvelde en haar moeder wilde later nooit over Leo praten, dat vond zij te pijnlijk. Wel werd duidelijk dat Leo een zeer uitzonderlijk iemand was, hoogbegaafd en een goed sportman. Hij was, ondanks zijn zeer eenvoudige afkomst, toegelaten tot een speciaal programma van het leger, waarbij hij zou worden opgeleid tot ingenieur, in ruil voor enkele jaren dienst als ingenieur of wetenschapper voor het leger.

Ik bleef doorvragen, maar merkte dat er niet heel veel meer te halen viel, behalve een prachtige familiefoto en afschriften van brieven, bijvoorbeeld van Leo’s commandant aan zijn moeder, waarin hij schrijft over de omstandigheden van Leo’s dood.

Maar toen kwam er via een vreemde weg een brief uit de VS. De Nederlandse ambassade in Washington ontving een schrijven van Paul Slater, 86, die in een veteranenblad de speech had gelezen die ik in 2009 op Memorial Day heb uitgesproken op Margraten en waarin ik Leo noemde. In zijn brief schrijft Paul dat Leo in Brooklyn zijn jeugdvriend was. Leo heeft hem zelfs een keer van de verdrinkingsdood gered en was, zo schreef Paul, een zeer nobel, slim en moedig mens. Dankzij internet kon ik Pauls telefoonnummer achterhalen en heb ik hem gebeld in Northampton, Massachussets. Wij spraken uren aan een stuk en voor mijn ogen kreeg ik een helder beeld van die jaren in Brooklyn, van de armoede, van de vriendschap, maar ook van de achteloosheid waarmee deze jonge mannen de oorlog in werden gestuurd. Paul had zelf vier jaar gediend op een Destroyer, als konvooibegeleider op de Atlantische oceaan en later in de strijd in de Middellandse Zee. Het was voor Paul geen makkelijk gesprek, Leo was zijn boezemvriend en Paul is nog steeds boos over de wijze waarop Leo totaal ongetraind een oorlog is ingestuurd, waar hij het moest opnemen tegen de hardste en meest ervaren nazi’s. Paul heeft een zoon en een dochter en zijn zoon heet Leo, vernoemd naar zijn beste vriend, die zelf niet ouder werd dan 20 en dus nooit de vreugde van het vaderschap heeft gekend.

Paul wilde al meer dan 50 jaar het graf van zijn boezemvriend bezoeken. Het was mij een grote eer hem en zijn zoon uit te nodigen. Van 15 tot 19 oktober 2010 bezochten zij Nederland. Op 20 november was het precies 66 jaar geleden dat Leo sneuvelde. En 66 jaar geleden werd mede door zijn offer ons land bevrijd.

Paul liet mij een aantal brieven lezen, die Leo tijdens zijn training en later ook vanuit Europa aan hem schreef. Zelden zal een jongen van 20 zoveel wijsheid en inlevingsvermogen hebben getoond als Leo. Hij wenste Paul sterkte, moedigde hem aan in zijn dromen te blijven geloven en gaf en passant te kennen zelf niet te verwachten de oorlog te overleven en daar ook vrede mee te hebben, omdat hij streed voor een nobele zaak, maar ook, wrang genoeg, omdat hij opzag tegen het vooruitzicht terug te moeten naar de ongelukkige omstandigheden van een gebroken gezin, met een moeder met wie hij het niet kon vinden. Leo wist, zo kan je tussen de regels door lezen, dat zijn veel te korte training als infanterist hem de status van kanonnenvlees gaf. Hij was daarover niet cynisch, wel gelaten.

Kort voor het bezoek van Paul aan Nederland, kreeg ik weer zeer kostbare informatie. Via een behulpzaam contact in de VS, kreeg ik het onverbloemde dagboek van een kameraad van Leo, die met hem de militaire opleiding had doorlopen en die aanwezig was toen Leo sneuvelde.

Soldaat Sherman brengt in zijn dagboek de laatste dagen van Leo beklemmend in beeld. In Gulpen, waar de eenheid tot 17 november ’44 gelegerd was, krijgen zij het bevel twee dagen later een aanval uit te oefenen op Duitse stellingen bij Prummern, vlak over de grens in Duitsland. De veteranen van de eenheid, die al eerder zijn ingezet, verstrakken bij het nieuws en worden stil. De jonge rekruten, ingenieurs in spe, die nauwelijks hun M1 geweer weten te hanteren, gedragen zich als katten in een vreemd pakhuis. Leo maakt grapjes, om de spanning te verminderen. Een dag later worden ze verplaatst naar Wittem, waar zij in verschillende huizen worden ingekwartierd. Om vervolgens in de nacht van 18 op 19 november ergens in een mijnschacht, mogelijk in Kerkrade of Heerlen, de aanval af te wachten, die om 4 uur ’s ochtends zal worden ingezet.

Vroeg die ochtend sneuvelt Leo, als een van de eersten van zijn eenheid. Bij de bestorming van een bunker, wordt hij door mitrailleurvuur dodelijk getroffen. Sherman reageert verslagen als hij het hoort. Hij beschrijft de strijd om Prummern vanuit het perspectief van de gewone soldaten, die orders kregen die zij nauwelijks begrepen en die wisten dat hun kans om te overleven niet heel groot was. Hij laat ook zien hoe dicht heldendom en lafheid bij elkaar liggen, hoe het slachtveld het slechtste en het beste in mensen boven haalt. Koel beschrijft hij de doodsverachting waarmee zij de bunkers bestormen en uiteindelijk, na dagen strijd en met behulp van Britse tanks, ook veroveren. Even koel schrijft hij op hoe een paar mannen wraak nemen op een sergeant aan wie zij een hekel hebben. Midden in het gevecht met de Duitsers, schieten zij hem door het hoofd. De moord zal nooit worden ontdekt, van de sergeant wordt verondersteld dat hij gevallen is in de strijd.

Bijna precies 66 jaar na dato, sta ik met Paul en zijn zoon Leo op de heuvel in het veld bij Prummern, waar toen de bunkers stonden. Ergens honderd meter lager, richting Geilenkirchen, moet Leo Lichten zijn laatste adem hebben uitgeblazen. Zijn beste vriend neemt de plek in zich op en praat tegen Leo, alsof hij hem kan horen. “You were such a good kid”, hij herhaalt het keer op keer.

Vlakbij is een boer op zijn erf met onderhoud bezig. Wij lopen naar hem toe en vragen hem of hij iets weet van de strijd die hier in november 1944 is gevoerd. Hij kan ons niet helpen, maar weet wel iemand in het dorp die er toen bij was en die er veel over weet te vertellen. Even later bellen wij aan bij Willy Pelzer, die ons gastvrij uitnodigt in zijn huiskamer. Meer dan een uur tolk ik voor twee mannen op leeftijd die beide een oorlog hebben meegemaakt, maar dan van verschillende kanten. Het duurt even voordat bij Paul het ijs breekt, want in zijn beleving is de Duitser van toen nog steeds de vijand. Maar als Willy vertelt over de repressie door de nazi’s, die zijn vader eerst in de gevangenis deed belanden en later aan het Oostfront, over de brute manier waarop de boeren in Prummern eerst werden bestolen en toen verdreven door de SS, over de gevaren die hij en zijn moeder moesten doorstaan, wint de medemenselijkheid het van de reserve en ontspint zich een even boeiend als warm gesprek.

Later die dag zal Paul weer praten met Leo, als hij op Margraten zijn graf bezoekt. “You knew that one day I would show up, didn’t you?” is zijn vraag. Leo, die altijd 20 zal blijven, maakt even van Paul ook weer die jongen van 20, met wie hij ging zwemmen, over meisjes praatte, over hun dromen van een toekomst zonder armoede. Paul laat Leo weten dat hij wel is toegekomen aan dat volle leven, aan die dromen. Dat hij gelukkig is geworden met zijn vrouw, zijn kinderen, de boerderij die zij samen hebben opgebouwd, de kansen die zij kregen om verder te leren. En de waarden die zij aan hun kinderen hebben doorgegeven. In dit laatste schuilt voor mij de schoonheid van dit bezoek. Natuurlijk stonden wij lang stil bij hetgeen Leo is overkomen, bij zijn strijd, zijn dood. Maar daar hield het niet mee op. De waarde van het stilstaan bij zijn offer, is juist dat het ons wijst op de erfenis die Leo en zijn strijdmakkers hebben achtergelaten, de vrijheid die zij voor ons bijna vanzelsprekend hebben gemaakt.

De laatste weken van Leo’s leven verbleef hij op Limburgse bodem. Hij zal mensen hebben ontmoet in Gulpen en Wittem, mensen die misschien nog onder ons zijn of wier kinderen en kleinkinderen vandaag ook onze vrijheid vieren. De oorlog is inmiddels zo lang geleden, dat er steeds minder ooggetuigen zijn. Niets is menselijker dan dat verleden steeds meer geschiedenis wordt, naar mate het langer geleden is. De neiging bestaat dan om die geschiedenis maar in de boekjes te laten of er een eigen draai aan te geven. Met dat laatste bedoel ik dat de geschiedenis in stelling wordt gebracht voor een politieke boodschap van vandaag. Met name met de Tweede Wereldoorlog gebeurt dat bijna dagelijks. Dan weer wordt alles wat ons niet bevalt aan het Nederland van nu in het kader geplaatst van de Jodenvervolging of de bezetting, waarmee deze ingrijpende historische gebeurtenissen worden gebanaliseerd. Of het omgekeerde gebeurt: alles wat met de Tweede Wereldoorlog te maken heeft wordt tot icoon verklaard, tot iets dat bijna buiten de orde staat van menselijk handelen. En zich dus nimmer meer zou kunnen herhalen.

Noch het een, noch het ander mag ons overkomen. Makkelijke recepten om ons ervan te vrijwaren zijn er niet. Het leven gaat nu eenmaal verder, zoals ook het ‘gesprek’ tussen Paul en Leo aantoont. Maar ik geloof wel in de kracht van verhalen, in de schoonheid van het willen doorvertellen wat men heeft beleefd, in het wonder dat alle mensen is gegeven, namelijk het vermogen om de wereld door de ogen van een ander te zien. Die ander gaat leven, ook al is hij bijna zeventig jaar dood, als we hem als mens willen zien, met goede en minder goede kanten, met een leven dat altijd wel raakvlakken met dat van ons heeft. Zo werd Leo Lichten voor mij in een paar jaar tijd van een naam, gebeiteld in een witte, marmeren Davidsster, tot een jongen van vlees en bloed. Met meer talent in zijn pink dan ik in mijn hele lijf, met een ongelukkige jeugd, met trouwe vrienden, met een groot hart voor andere mensen en met een achteloos fatalisme over zijn eigen lot.

Iedereen die de oorlog heeft meegemaakt of die er uit eerste hand verhalen over heeft gehoord, van ouders of van kennissen, heeft de kans, misschien wel de plicht die verhalen door te vertellen, als het even kan ook vast te leggen. Iedereen die mensen kent die de oorlog hebben meegemaakt of de verhalen hebben meegekregen, heeft de kans te luisteren, te laten weten het graag te willen horen, zichzelf ook onderdeel van die verhalen, van die geschiedenis te willen maken. Ik weet waar mijn moeder was toen Heerlen werd bevrijd. Toevallig voor de deur van het huis waar wij nu gaan wonen. Daar zag zij de Amerikanen de Heesberg afkomen en de Duitsers richting Bekkerveld vluchten. Mijn vader zag de Polen van heg naar heg rennen, in Breda, in de straat waar zijn ouderlijk huis stond. Ik daag u uit: zoek mensen in uw omgeving die u persoonlijke verhalen over de oorlog kunnen vertellen. Vertel deze verhalen aan minstens twee dierbaren of kennissen door. Zo zorgen wij er samen voor dat geschiedenis en collectieve beleving hand in hand gaan. Zo zorgen wij ervoor dat het offer van Leo en talloze anderen aan wie wij onze vrijheid te danken hebben, op waarde geschat blijft. Zo laten wij zien dat oorlog, vrede, haat, liefde, het goede en het kwade niet buiten ons staan, niet alleen in boeken voorkomen, maar onlosmakelijk verbonden zijn met onze menselijke natuur. En daarmee maken we de kans kleiner dat wij fouten uit het verleden herhalen en de kans groter dat onze kinderen en kleinkinderen oorlog alleen nog maar uit verhalen zullen kennen.

Wat ik vandaag tegen u zeg, zal snel vervliegen en misschien in de toekomst toevallig nog eens worden herlezen. Maar wat Leo en zijn strijdmakkers voor ons hebben gedaan, heeft eeuwigheidswaarde en mag dus nooit worden vergeten, moet ieder jaar weer worden herdacht en gevierd, zolang er mensen van goede wil zijn in Nederland, in Limburg.

Zou ik nu een goed glas in mijn hand hebben, ik zou het heffen op uw gezondheid. Als wij onze gezondheid zo vieren, doen wij dat in de wetenschap dat zij niet vanzelfsprekend is en ook bedreigd kan worden door ziekte of ongeluk. Zo is het ook met onze vrijheid. Zou zij vanzelfsprekend en eeuwigdurend zijn, hadden wij geen reden haar te vieren. Maar juist omdat zij niet vanzelfsprekend is, juist omdat vele miljoenen voor ons de grootste offers hebben gebracht om haar bijna vanzelfsprekend te maken, waardoor wij de dure plicht hebben haar te onderhouden en te versterken; juist daarom vieren wij vandaag het feest dat vrijheid heet.



Posted in: roermond